Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP1230

Datum uitspraak2004-03-03
Datum gepubliceerd2004-06-09
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers105027
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afspraak tussen partijen was "no cure no pay" als vaste beloningsgrondslag voor de werkzaamheden van Legal House.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak/rolnummer: 2003/1716 Datum uitspraak: 3 maart 2004 Vonnis in de zaak van de besloten vennootschap LEGAL HOUSE B.V., gevestigd te Culemborg, hierna te noemen: Legal House, eiseres bij dagvaarding van 3 oktober 2003, procureur en advocaat mr. W.H.B.M. Litjens te Elst, tegen X, wonende te A, gemeente B, hierna te noemen: X, gedaagde bij genoemde dagvaarding, procureur en advocaat mr. M.K. Rack te Arnhem. Het verloop van de procedure Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 10 december 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit vonnis is een comparitie van partijen gehouden waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt. Op de comparitie zijn partijen niet verenigd zodat toen vonnis is bepaald. De vaststaande feiten 1. Legal House heeft in 2003 in opdracht van X juridische werkzaamheden voor hem verricht bestaande uit het voeren van verweer in een door Van de Wetering Cost Control B.V. -hierna verder: Van de Wetering- ingediend voorwaardelijk ontbindingsverzoek ex artikel 7:685 BW en het tegen diezelfde partij instellen van een loonvordering in kort geding. Beide procedures hebben gediend voor de kantonrechter te Utrecht. Bij beschikking van 31 maart 2003 heeft de kantonrechter eerst, indien en voorzover nog bestaand, de arbeidsovereenkomst tussen X en Van de Wetering ontbonden per 16 april 2003 onder toekenning aan X van een vergoeding van € 32.351,46. Bij vonnis in kort geding van 23 mei 2003 is vervolgens door de kantonrechter voorlopig geconcludeerd dat tussen X en Van de Wetering reeds op 29 juli 2002 een beeïndigingsovereenkomst is gesloten waarin is vastgelegd dat aan X een beëindigingsvergoeding zou worden betaald van € 32.351,46 uitgaande van een einde van de arbeidsovereenkomst door een formele ontbinding waartegen X geen inhoudelijk verweer zou voeren. Voorts oordeelde de kantonrechter voorlopig dat X deze afspraak had geschonden door ten onrechte op 13 augustus 2002 wel inhoudelijk verweer te voeren tegen het ontbindingsverzoek van Van de Wetering. Om die reden wees de kantonrechter aan X slechts loon toe over het tijdvak van 16 juli tot en met 13 augustus 2002. 2. X had in een E-mail van 4 oktober 2002 aan mr. H.C.E. van der Doelen van Legal House zijn situatie geschetst rond de met zijn werkgever gemaakte afspraken, waarmee hij het niet (meer) eens was, en verzocht mr. Van der Doelen of hij ‘brood’ zag in de zaak en zo ja onder welke condities. Daarover hebben mr. Van der Doelen en X in oktober 2002 nader met elkaar gesproken, waarna Legal House op 7 november 2002 namens X een brief aan Van de Wetering heeft geschreven waarin -kort samengevat- het standpunt is ingenomen dat de arbeidsovereenkomst van X nog altijd voortduurde. 3. In een door Legal House op 6 februari 2003 aan X gezonden opdrachtbevestiging staat o.a.: Hierbij bevestigen wij de tussen u en ons tot stand gebrachte opdrachtovereenkomst als volgt. Namens u zullen wij als gemachtigde voor u optreden in de juridische zaak tegen uw werkgever […]. Het honorarium dat u ons wordt verschuldigd voor de door ons verrichte werkzaamheden bedraagt in beginsel 15% van de door uw werkgever aan u te betalen bruto ontslagvergoeding exclusief BTW. Deze afspraak is gebaseerd op het principe ‘no cure no pay’ […] Het is evenwel mogelijk dat de zaak gedurende de behandeling een zodanige wending krijgt dat het dossier zich niet meer leent voor een ‘no cure no pay’ afspraak. Uit het dossier is immers op te maken dat op allerlei fronten een geschil te verwachten is. […] In dat geval zullen wij een uurtarief hanteren van € 125,00 excl. BTW voor de inzet van mr. H.C.E. van der Doelen (of andere senior juristen) en € 85,00 excl. BTW voor de inzet van mevrouw mr. J. van Kraaij (of andere junior juristen)[…]. 4. Op 9 april 2003 heeft Legal House aan X een (eerste) declaratie gezonden van € 10.991,64. Nadat X bij brief van 11 april 2003 daartegen had geprotesteerd heeft mr. Van der Doelen van Legal House in een E-mail bericht van 29 april 2003 aan X o.a. geschreven: Ten aanzien van de kwestie van ‘no cure no pay’ wil ik u graag uitnodigen op kantoor voor een persoonlijk onderhoud. In beginsel wordt no cure no pay alleen afgesproken in een enkelvoudige ontbindingsprocedure. Daarvan is allang geen sprake meer. […] Graag wil ik hier met u over spreken, doch het lijkt me verstandig dat na de behandeling van uw zaak te doen. Het is beter eerst energie hierin te steken. 5. Op 6 mei 2003, 5 juni 2003 en 4 juli 2003 heeft Legal House declaraties aan X gezonden van € 2.675,01, € 1.239,59 en € 373,27. Bij brieven van o.m. 15 mei 2003 en 9 juli 2003 heeft X tegen deze declaraties geprotesteerd. 6. Op 16 juli 2003 heeft mr. J. van Kraay van Legal House aan X o.a. geschreven: Voor de volledigheid zetten wij, hierbij neer welke afspraken er zijn gemaakt. In het najaar 2002 heeft er een bespreking tussen u en de heer Van der Doelen plaatsgevonden. Er is, tijdens deze bespreking, globaal in kaart gebracht dat er sprake was van een arbeidszaak en dat de zaak zou blijven rusten totdat de werkgever actie zou ondernemen. Een 'no cure no pay’ regeling is besproken, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat er sprake zou zijn van een standaard ontbindingsprocedure. Dit zou inhouden het opstellen van een verweerschrift en een mondelinge behandeling […] Vanaf februari 2003 begon de zaak actueel te worden, echter deze ontwikkelde zich in een geheel andere richting, waardoor de zaak zich niet meer leende voor een ‘no cure no pay’ regeling […]. 7. Op de comparitie heeft mr. Van der Doelen namens Legal House o.a. verklaard: In september of oktober 2002 heeft het eerste gesprek met X plaatsgevonden en heb ik met hem ook gesproken over de condities waaronder de opdracht werd aanvaard door Legal House. Het klopt dat voor het verrichten van werkzaamheden te besteden aan de ontbindingsprocedure toen is afgesproken dat dit op basis van ‘no cure no pay’ zou plaatsvinden. Het is om die reden dat X terecht verweer heeft gevoerd tegen een deel van de vordering namelijk een bedrag van € 10.991,64. […] Ik voeg aan mijn verklaring nog toe dat ik met X uitdrukkelijk heb besproken dat ik in het kader van de ontbindingsprocedure zijn loonvordering aan de orde zou stellen. Als dat in een moeite door zou hebben gekund zou dat onder de ‘no cure no pay’ afspraak hebben kunnen vallen. Ik heb niet met X besproken wat er zou gebeuren als dit niet zou lukken. Mijn collega Jessica Van Kraay heeft het dossier X in februari 2003 van mij overgenomen. Voor zover ik weet heeft zij toen opnieuw afspraken met X gemaakt die zijn vastgelegd in de brief van 6 februari 2003. […] Het geschil en de beoordeling daarvan 8. Legal House vordert de veroordeling van X tot betaling van primair een bedrag van € 16.871,40 en subsidiair € 6.652,67. Het primair gevorderde bestaat uit de optelsom van de aan X gezonden declaraties op basis van gewerkte uren terwijl het subsidiair gevorderde berust op een berekening van 15% van de bedragen die in de ontbindingsbeschikking en het kort geding vonnis van de kantonrechter aan X zijn toegekend. Zowel primair als subsidiair heeft Legal House de gevorderde bedragen vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. 9. X voert gemotiveerd verweer waarop hierna voorzover nodig wordt ingegaan. 10. De in dit geding te beantwoorden vraag is wat partijen over de beloning van Legal House hebben afgesproken in het kader van de door X gegeven opdracht. Legal House heeft gesteld dat de aanspraak op beloning afhankelijk was van het met succes volbrengen van de opdracht in die zin dat zij aanspraak zou verwerven op 15% van de door Van de Wetering aan X te betalen ontslagvergoeding, met dien verstande dat alsnog op een systeem van uurvergoeding zou worden overgeschakeld als de werkzaamheden buiten een zekere standaard zouden vallen. Die afspraak zou met de brief van 6 februari 2003 ‘nogmaals’ bevestigd zijn, zo staat in de dagvaarding onder 6. X heeft dit betwist. Volgens hem is er alleen maar gesproken over ‘no cure no pay’ en is nooit aan de orde geweest dat die beloningsgrondslag verlaten zou mogen worden afhankelijk van de bewerkelijkheid van de zaak. X ontkent de brief van 6 februari 2003 te hebben ontvangen en wijst erop dat hij direct, en herhaaldelijk, na ontvangst van declaraties van Legal House daartegen geprotesteerd heeft. 11. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit hetgeen mr. Van der Doelen op de comparitie heeft verklaard blijkt ontegenzeggelijk het gelijk van X: er is gesproken over ‘no cure no pay’ als vaste beloningsgrondslag voor de door Legal House in de ontbindingsprocedure te verrichten werkzaamheden. Tot die werkzaamheden behoorde in de visie van mr. Van der Doelen ook, hoe onbegrijpelijk dat voor de rechtbank ook is (immers in een verzoekschriftprocedure kan het instellen van een loonvordering niet aan de orde zijn, dat hoort thuis in een dagvaardingsprocedure), het aan de orde stellen van de loonaanspraak van X in de ontbindingsprocedure en er is niet met X over gesproken wat er zou gebeuren als dit niet zou lukken. Tegen deze achtergrond behoefde X niet te verwachten dat Legal House aan hem uren in rekening zou brengen, ook niet voor de werkzaamheden die Legal House -mede in haar eigen belang- kennelijk na het echec van de ontbindingsprocedure nog noodzakelijk oordeelde. Hieraan doet niet af dat in de brief van Legal House van 6 februari 2003, veronderstellenderwijs aannemende dat die brief X wel heeft bereikt, iets anders staat. Dat andere was dan een verkeerde bevestiging van de tussen mr. Van der Doelen en X in werkelijkheid gemaakte afspraken. Dat mr. Van Kraay op of omstreeks 6 februari 2003 met X nadere afspraken heeft gemaakt, zoals mr. Van der Doelen op de comparitie nog heeft verklaard, wordt niet aangenomen. Dat blijkt geenszins uit de brief van 6 februari 2003 noch uit hetgeen mr. Van Kraay op 16 juli 2003 zelf aan X heeft geschreven en het is evenmin in overeenstemming te brengen met de eigen stellingen van Legal House in deze procedure (zie dagvaarding onder 6). Aan bewijs wordt derhalve niet toegekomen. 12. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat op Legal House, als wel zou moeten worden uitgegaan van nadere afspraken over de beloning die de mogelijkheid openden om over te schakelen op een systeem van uurvergoeding, een informatieplicht rustte om X daarvan tijdig in kennis te stellen. Legal House had dit omslagpunt duidelijk moeten markeren om te voorkomen dat X zich -als leek op juridisch gebied- daaromtrent anders oriënteerde en erop zou blijven vertrouwen dat hij geen kostenrisico liep. Gesteld noch gebleken is dat Legal House dergelijke informatie aan X heeft verstrekt. Integendeel, zelfs in de E-mail van 29 april 2003 heeft Legal House dat in het midden gelaten en voor zich uitgeschoven. 13. De primaire grondslag van de vordering is derhalve niet deugdelijk. Datzelfde geldt voor een groot deel van het subsidiair gevorderde. Weliswaar is aan X in de ontbindingsbeschikking een vergoeding van € 32.351,46 toegekend maar Legal House kan dat niet als een succes van haar werkzaamheden beschouwen en daarom niet over dat bedrag 15% als beloning in rekening brengen. De vergoeding was immers door Van de Wetering reeds aangeboden en het ging er nu juist om dat Legal House mogelijkheden zag om een beduidend hoger bedrag aan ontslagvergoeding voor hem binnen te halen. Daar is niets van terecht gekomen zodat Legal House in zoverre geen beloning toekomt. Wel bestaat aanspraak op beloning van 15% over het aan X toegewezen loon over de periode van 16 juli 2002 tot en met 13 augustus 2002, zoals X ook heeft erkend. Tegen de berekening van het aldus aan Legal House toekomende bedrag van € 783,28 heeft X zich niet verzet zodat dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2003. De door Legal House gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen omdat onvoldoende is gebleken dat daadwerkelijk, buiten een enkele sommatie, incassowerkzaamheden zijn verricht. 14. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Legal House de proceskosten hebben te dragen. De beslissing De rechtbank, veroordeelt X om aan Legal House een bedrag van € 783,28 te betalen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2003 tot aan de dag van betaling, veroordeelt Legal House in de kosten van de procedure die, voorzover tot op heden aan de zijde van X gevallen, worden bepaald op € 320,- voor verschotten en op € 780,- wegens salaris procureur, verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op woensdag 3 maart 2004. De griffier: De rechter: